Mijn handen,
nog maar half ontwaakt,
graaien,
als vallen,
als
lijken landen,
naar een foto, ooit van ons gemaakt.
Hij
is een arm, een “opgelet”
Zijn ogen water van de zee,
ontvangers van mijn elk gebed.
“Als jij gaat, ga ik mee.”
Hij
is donderdagen in de stad,
wanneer de nacht je deed verdwalen.
Nerveus en knagend zat,
nog nooit geziene lamppalen.
Je weent ervan,
je hertenhart
schrikt bij elk geruis,
Tot je
draait,
een kwart,
en de weg
herkent naar huis.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten