Met mijn bril in de doos gelaten,
worden de stadslichten nat:
dooi over oog en daken,
vuurvliegjes in een regen-bezopen mat.
Koppig krimpt, voor de nacht, de dag na de zomer
alsof ze voor een pauze vecht
en onverschrokken heeft zelfs de rusteloosheid van daarvoren
zich op z’n rug gelegd.
Al waren jij en ik torenhoog,
is het tijd om het anders te doen.
Ik neem de voeten van de toog,
de wortel in de schoen.
Hou voor warmte armen en dromen
dichtbij mijn lijf
zodat ik als kruimels thuis mag komen
en daar een poosje blijf.
Ik giet donkere, stroperige koffie
in de gaten van mijn bestaan,
plaatsen, juist die
naar waar ik handen wil zien gaan.
Zelfs in stilte kan ik het niet horen
en er is niemand die het ziet.
De sloot is dichtgevroren,
maar ooit was hier iets.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten