donderdag 24 juli 2025

liefdesbrief #2: Bernard

My nephew writes his name with his tiny finger against the fogged car window. With his toothless grin he reads: 李欣陽. “陽 like in 太陽”, like in the sun. I smile at him, tell him to get some sleep on my shoulder.

 Later that year, tipsy on lukewarm beer and the sky before the morning, you and I spilled mistakes on the white table cloths of our lives and forgave ourselves for every sin. Our skin turned into fur some nights. We let our hearts bloom into magnolias and ticking bombs, seep through gravel, let it stain each others fingers inky blue. We were transparent, watching boats tremble on still water. Transparent as in see-through as in there was a minute I saw the inside of your insides and you saw mine. We are twenty and twenty-one; I can’t say things like I want you in my life forever on the steps of the library or while I watch you throw bottles of white wine up onto the pavement or over the loudest music or into the scary quietness of the night you almost saw me cry. But I want you in my life forever. I put my head on your shoulder and think: “陽 like in 太陽”, like in the sun. 

maandag 14 april 2025

Als ik het opnieuw zou willen doen

zou ik beginnen lopen en voetbal spelen, en leren koken

hoe je mama kookt en stoppen met eerlijkheid en roken

en toch tien kilo lichter zijn om mijn armen niet te haten

en je knuffels timen: drie seconden en dan loslaten

om jou alvast te leren laten gaan, zou ik aan je plakken 

als vallend fruit en vogeljong, rollend van de takken 

op de boom in onze tuin, als een laatste zomerdag, 

en niet als een reddingsboot, medicatie, een 120 hartslag.

Ik zou cooler zijn, indifferent en met ervaring onaangeraakt, 

zou ik weten hoe ik stop met wenen wanneer ik naakt

onder een jongen lig of ten minste stilletjes, in het geniep, 

in zijn bed of in zijn leven alles kan aanvaarden en nooit te diep

voel of nadenk of vijf keer huilend bel naar moeke, 

die me zegt dat hoe vaak ik dit ook keer, jij altijd zal zoeken

naar een uitweg of een noodknop of een laatste zoen

en een reden, voor mij, om het opnieuw te willen doen.


maandag 7 april 2025

liefdesbrief #1: Louise

07/04/2025 

Louise and I talk about the weather for once. We had exhausted talking about ourselves. Above the steam of her hot soup, she asks me if I’m ever just right. Not too warm, not too cold. Just right. She says it isn’t possible; people are never that content. She calls it evolution.

But I think of last august. Of reading Joan Didion in France, my hands sticking of apple juice, the weather like warm water, like my mother’s hair. This new year’s, I went to the beach. I wore two coats and a scarf and as I hurt, I found my lovers eyes in the color of the sea. Just right.

My grandma puts jasmine lotion into her cracked hands and presses them down onto my wrists. In her sweet Mandarin, she tells me about autumns when I was little. How we stepped onto each leaf as we walked. The music of it all, the love. In the soft, wet, grass of time between life and sleep, I feel a tear onto my forearm as a jasmine petal loosening into tea. Just right.

I put my head on Louise’s shoulder. She smells of wiped tears and peachy laughter. Of the cigarette smoke of honesty, of the washed linen she let me sleep in that one winter: I’m not letting you alone right now, with which she meant ever.
Louise always wants to better herself. She picks conversations apart like fingernails. She calls me after every party, asking if she was good, if she behaved. She holds her blonde hair up and before she even asks, I hold her eye in the mirror, and I mean it, I mean it when I tell her: just right.

____

Louise en ik praten voor het eerst eens over het weer. Ik ken haar hart en zij mijn dromen, maar hier zijn we nog nooit gekomen. Boven de stoom van haar hete soep, vraagt ze me of ik ooit juist goed ben. Niet te koud, niet te warm. Juist goed. Ze zegt dat het niet mogelijk is; mensen zijn zelden zo content. Ze noemt het evolutie.

Maar ik denk aan vorige augustus. Aan Joan Didion lezen voor onze tent in Frankrijk, hoe mijn handen plakten van appelsap, het weer als warm water, als mama’s haar. Op nieuwjaar ging ik naar het strand. Ik droeg twee jassen en een sjaal en doorheen de pijn, zag ik tevergeefs zijn ogen in de kleur van de zee. Juist goed.

Oma smeert jasmijnzalf op haar gekreukte handpalmen en duwt ze op mijn polsen neer. In haar zoet Mandarijns vertelt ze me over herfst toen ik klein was. Hoe we op elk blaadje trapten terwijl we wandelden. De muziek ervan, de liefde. In de zachte, natte, grassige tijd tussen leven en slaap, voel ik een traan op mijn voorarm als een jasmijnblaadje smeltend in hete thee. Juist goed.

Ik leg mijn hoofd op Louise’s schouder. Ze ruikt naar weggeveegde tranen, naar lief gelach. Naar de sigarettenrook van eerlijkheid, naar het gewassen dekbed waarin ik mocht slapen die ene winter: Ik laat je nu even niet alleen. Waarmee ze bedoelde nooit. Louise wil haarzelf altijd beteren. Ze peutert conversaties los als vingernagels. Ze belt me na elk feestje om te vragen of ze flink was, of ze het goed deed. Leven, praten, zijn. Ze houdt haar blonde haren omhoog en voor ze het zelfs kan vragen, kijk ik doorheen de spiegel in haar ogen en ik meen het, ik meen het wanneer ik zeg: Juist goed.

 

 

 

 

donderdag 3 april 2025

winterslaap

Met mijn bril in de doos gelaten, 
worden de stadslichten nat:
dooi over oog en daken,
vuurvliegjes in een regen-bezopen mat.
Koppig krimpt, voor de nacht, de dag na de zomer
alsof ze voor een pauze vecht
en onverschrokken heeft zelfs de rusteloosheid van daarvoren
zich op z’n rug gelegd. 

Al waren jij en ik torenhoog,
is het tijd om het anders te doen.
Ik neem de voeten van de toog,
de wortel in de schoen.
Hou voor warmte armen en dromen
dichtbij mijn lijf
zodat ik als kruimels thuis mag komen 
en daar een poosje blijf.
Ik giet donkere, stroperige koffie
in de gaten van mijn bestaan,
plaatsen, juist die
naar waar ik handen wil zien gaan. 

Zelfs in stilte kan ik het niet horen
en er is niemand die het ziet.

De sloot is dichtgevroren,
maar ooit     was hier iets. 

hertenhart

Mijn handen,
nog maar half ontwaakt,
graaien, 
              als vallen,
                              als lijken landen,
naar een foto, ooit van ons gemaakt.

Hij
is een arm, een “opgelet”
Zijn ogen water van de zee,
ontvangers van mijn elk gebed.
“Als jij gaat, ga ik mee.”

Hij
is donderdagen in de stad,
wanneer de nacht je deed verdwalen.
Nerveus en knagend zat,
nog nooit geziene lamppalen.
Je weent ervan,
je hertenhart
schrikt bij elk geruis,

Tot je draait,
een kwart,

en de weg herkent naar huis.

liefdesbrief #2: Bernard

My nephew writes his name with his tiny finger against the fogged car window. With his toothless grin he reads: 李欣陽. “陽 like in 太陽”, like in...